Eindeloze mogelijkheden

Eindeloze mogelijkheden

De technologische vooruitgang is niet te stuiten en zal ook op het onderwijs een enorme impact hebben. Wellicht komt er een onderwijsrevolutie, zoals Martijn Aslander in deze uitgave van De Link zegt. In dit artikel kijkt onderwijskundige en interim professional bij Omix, Kees van Wijngaarden, minder ver in de toekomst maar neemt hij u mee in de mogelijkheden die technologie nu al biedt voor uw onderwijsorganisatie. Het benutten van deze mogelijkheden vraagt niet eens veel tijd, geld of know-how, maar eerder bewustwording van de mogelijkheden en de durf om hiermee te spelen.

Tekst: Kees van Wijngaarden
Fotografie: Lilian van Rooij

Technologie en hippe tools als ondersteuning van het onderwijs

Binnen uw onderwijsorganisatie wordt er ongetwijfeld al gewerkt met leuke nieuwe tools en technologieën. Eerst kwamen de smartboards en Ipads, waarna blended learning, ‘flipping the classroom’ via YouTube en educatieve online-games volgden. En de ontwikkeling gaat door. In de smartlabs waar de mogelijkheden van 3D-printers steeds verder worden verlegd, door de opkomst van het Internet of Things (met robotica en machine learning) en door tal van technologische mogelijkheden die we vandaag nog niet eens kunnen bedenken.

Docent als gids

Het onderwijs maakt gebruik van allerlei tools die docenten helpen hun lessen interactiever en aantrekkelijker te maken, maar vaak vervangt de technologie hem of haar niet. Nog steeds staat de docent centraal en vindt het onderwijs in de basis op dezelfde manier plaats: de docent voor de klas. Ik kan me er helemaal in vinden dat de docent een centrale rol heeft in het onderwijsproces. Wel vind ik dat deze rol een andere invulling kan krijgen. Het onderwijs moet studenten immers voorbereiden op een arbeidsmarkt waarin banen veranderen, verdwijnen en nieuwe banen ontstaan. Nu de kennis als het ware op straat ligt, lijkt het mij niet zinvol om de lessen te blijven organiseren alsof deze kennis alleen bij een docent kan worden gehaald. Zeker als het gaat om kennis die al jaren hetzelfde is, denk bijvoorbeeld aan de wet van de zwaartekracht die onveranderd is, sinds
Newton deze in een formule wist te vangen. Hoorcolleges zijn niet meer van deze tijd en alleen relevant als de docent in kwestie zelf unieke kennis heeft, bijvoorbeeld uit eigen onderzoek. In plaats van het in een college doorgeven van informatie – die sowieso al vrij beschikbaar is – gaat de docent actief op zoek naar al beschikbare content van goede kwaliteit op zijn of haar vakgebied. De docent wordt een gids die de student de weg wijst op het internet, waar een oneindige stroom aan informatie beschikbaar is. De docent moet de student leren hoe die onderscheid kan maken en waar waardevolle informatie te vinden is.

Een rondje door de App Store

Als je praat over interessante tools voor het onderwijs kun je niet voorbijgaan aan de vele beschikbare, al dan niet educatieve, apps. Een rondje door Google Play Store (Android) of App Store (Apple) kan al veel inspiratie opleveren. Een mooi voorbeeld van het gebruik van apps binnen het curriculum is het project ‘Naar Buiten’ bij de faculteit geowetenschappen van de UU. In plaats van traditionele excursies onder leiding van een docent, gaan studenten met een tablet op pad (zie het thema-artikel, pag. 16). De docenten hebben zich verdiept in de mogelijkheden van al bestaande apps en deze gecombineerd. Door slim de mogelijkheden te benutten van al bestaande, voor een groot deel zelfs gratis te gebruiken apps, wordt innovatie haalbaar en laagdrempelig. En nog belangrijker, het onderwijs wordt er echt beter van.

Virtual Reality

Een andere veelbelovende ontwikkeling is Virtual Reality (VR). In de vorige uitgave van De Link vertelde Peter Hulskemper dat het ROC Amsterdam, College Airport samenwerkt met KLM om de Virtual Reality technieken die al in de luchtvaart worden gebruikt, ook toe te passen in cabinelessen voor de studenten. Bij opleidingen waar studenten belangrijke praktische handelingen moeten leren, is VR een prachtige manier om risicoloos oefenuren te maken, zonder dat het veel geld of materiaal kost. Bij scheepvaartopleidingen is er in een virtuele omgeving een hele haven nagebouwd en kunnen studenten oefenen om ieder willekeurig schip de haven in te loodsen. Ook bij medische opleidingen zoals chirurgie en tandheelkunde heeft VR zijn intrede gedaan. Bijkomend voordeel is dat je niet afhankelijk bent van de beschikbaarheid van patiënten. Dit is vooral een voordeel bij indicaties die niet veel voorkomen, maar waarvoor een chirurg wel een specifieke operatie moet leren uitvoeren.

“Hoorcolleges zijn niet meer van deze tijd en alleen relevant als de docent in kwestie zelf unieke kennis heeft.”

Communicatie: formeel versus informeel

Ook de manier waarop communicatie tussen studenten en docenten plaatsvindt, is sterk veranderd door de digitale mogelijkheden. Het lijkt nu hopeloos ouderwets, maar zoals Huug de Deugd van Inholland in het artikel ‘De droom van…’ (pag. 36) terecht aanhaalt, is het nog niet eens zo lang geleden dat studenten via een bellijst op de hoogte werden gesteld als er een les uitviel. Nu is de student met behulp van een app op de smartphone altijd en overal op de hoogte van waar en wanneer hij of zij les heeft. Ook het lijntje tussen de docent en de student is korter. Veel van de communicatie tussen docent en student vindt tegenwoordig plaats via het informele circuit van whatsapp en/of andere sociale media. Een bijwerking hiervan is dat er twee werelden ontstaan, de formele wereld en de informele wereld. In de formele wereld wordt informatie vastgelegd zodat het later teruggevonden kan worden en ook eenvoudig kan worden overgedragen. Maar wat doe je met de informatie die je uitwisselt en afspraken die je maakt via sociale media? Welke informatie moet in het studentendossier? En dan gaat het niet om de vraag welke informatie de overheid verwacht dat we in het dossier vastleggen, maar om die informatie die de begeleiding van de student door de docent(en) ondersteunt en mogelijk maakt. Stel dat je als mentor met iedere individuele student via Whatsapp communiceert. Nu wil je een aantal studenten overdragen aan een collega. Hoe ga je de informatie dan delen? Vraag je dus ook bij het gebruik van handige apps en sociale media af welke informatie vastgelegd moet worden en welke niet.

De elektronische leeromgeving

Een vergelijkbare uitdaging zie je ontstaan nu er steeds meer ELO’s (elektronische leeromgevingen) worden gebruikt. In deze De Link (p.33) is onderzocht welke apps er zoal in het onderwijs gebruikt worden. De afgeschermde leeromgevingen worden door docenten vooral ingezet om eigen materiaal op te plaatsen, zoals presentaties en Word-documenten. Studenten leveren hun opdrachten vaak via de ELO in, waarna het ingeleverde werk met behulp van software soms direct op plagiaat wordt gecontroleerd. ELO’s bieden goede mogelijkheden om ook MOOC’s (Massive Open Online Course) of blogs van externe bronnen op te nemen en zo het principe van flipping the classroom te ondersteunen. Het gebruik van ELO’s leidt echter ook tot meer informele informatiestromen tussen docenten en studenten, die niet meer in het zicht zijn van de onderwijsondersteuning en het management.

Gescheiden werelden

Hoewel een integratie van ELO’s en de formele studenteninformatiesystemen technisch heel goed mogelijk is, zie ik dat deze werelden vaak nog strikt gescheiden worden. De ELO is van de docenten, die er niet op zitten te wachten dat anderen zich bemoeien met deze omgeving of het gaan dicht timmeren met allerlei regeltjes. De studentadministratie en het management hebben niet alle informatie uit het ELO nodig, waardoor de docent het gevoel heeft een dubbele boekhouding te moeten voeren. Mits goed ingeregeld – met goed op elkaar aangesloten, samenwerkende informatiesystemen – kan de administratieve last van leraren en scholen fors worden verminderd. Met deze informatie kan ook gewerkt worden aan kwaliteitsverbetering en een hoger rendement. Data over verschillende klassen en leerjaren geven inzicht in de effectiviteit van leermaterialen en lesmethodes, de geschiktheid daarvan voor verschillende leerlingen, de effectiefste inzet van personeel en de ontwikkelingen van leerling-, leraar- en schoolprestaties door de jaren heen.

“Met synergie tussen fysieke en online leeractiviteiten ontstaat een nieuw concept waarin leren een andere betekenis krijgt.”

Learning Management Systemen

Het is interessant om te zien hoe elektronische leeromgevingen zich verder ontwikkelen. Waar het nu nog vaak generiek begint, ontstaan er ambities om met digitale materialen in digitale leeromgevingen te differentiëren in de leerroutes voor individuele studenten. In een digitaal ondersteunde leergemeenschap kan van alles worden gemeten, verzameld, geanalyseerd en gerapporteerd over studenten en hun (leer)context. Hoe dat gedaan wordt? Het leren en de leeromgeving begrijpen en verbeteren kan met een Learning Management Systeem (LMS). Op deze manier kan men inspelen op verschillen tussen individuele studenten om hen nog beter te kunnen helpen zich te ontwikkelen tot zelfstandige, sociale, verantwoordelijke, samenwerkende en kritisch denkende deelnemers aan onze maatschappij. Een LMS biedt ondersteuning aan leraren bij de begeleiding van leerlingen in hun ontwikkeling, met inzicht uit data. Door ‘automatisering’ van bijvoorbeeld taal- en rekenoefeningen krijgen ze bovendien meer tijd en ruimte om hun creativiteit en didactische kwaliteiten te benutten. De vraag is of je met een LMS nog daadwerkelijk hoeft te toetsen. Adaptief digitaal lesmateriaal geeft namelijk direct de prestaties en het niveau van de student weer.

Met synergie tussen fysieke en online leeractiviteiten ontstaat een nieuw concept waarin leren een andere betekenis krijgt. Met de kennis die voorhanden is, bijvoorbeeld via MOOC’s in combinatie met een LMS, zou je voor bepaalde vakken kunnen kiezen om deze helemaal te digitaliseren, inclusief de toetsing. Bijvoorbeeld als er voor dat betreffende vak maar weinig docenten beschikbaar zijn. De technische mogelijkheid is er maar de vraag rijst: hoe integreren we dat in ons proces? Welke invloed heeft dit op de werkzaamheden van de onderwijslogistieke ondersteuning? Hoe regel je de validatie in het OER? Welke criteria hanteer je voor de gebruikte MOOC’s? Dit zijn hordes die nog genomen moeten en kunnen worden, als professionals vanuit onderwijs, onderwijslogistiek en management tenminste de handen in elkaar slaan.

Geen alles-in-één systeem

De via de digitale leer- en werkomgeving verzamelde data leiden ertoe dat het onderwijs ingericht kan worden naar de vraag die er is en maken het mogelijk een student in zijn of haar persoonlijke leerweg te begeleiden. Dit hoeft niet te betekenen dat dit een alles-in-één systeem moet zijn, een combinatie van administratie, gekoppelde leermiddelen, portfolio etc. Gezien het door maatwerk te verwachten onderscheid in individuele leerroutes – samenvallend met de toenemende flexibilisering – lijkt een totaaloplossing beperkend. Er is vrijere keus uit het diverse aanbod nodig om recht te kunnen doen aan elke leerling, meer dan een gesloten totaaloplossing kan bieden. Vernieuwende scholen, bijvoorbeeld binnen Pleion (Platform Eigentijds Onderwijs), willen een flexibele verzameling digitale hulpmiddelen kunnen inzetten, die onderling goed samenwerken
en informatie uitwisselen. In die verzameling bevinden zich zeker nog formele systemen waarmee de school haar processen borgt en de vereiste
administratie voert. In aanvulling daarop zullen leraren en leerlingen een steeds vernieuwde selectie informele (niet volledig door school gecontroleerde) apps en webplatforms toepassen in hun leerproces.

Tools die onderwijslogistiek vergemakkelijken

Ook op het gebied van onderwijsondersteuning worden er steeds meer handige tools ontwikkeld. Apps waarop je ‘s ochtends kunt zien welke lessen je waar hebt en/of welke ruimtes die dag beschikbaar zijn voor je werkgroep. En het is een kwestie van tijd voordat er apps ontwikkeld zijn die helpen bij de voorbereiding van een tentamen of een app, gebaseerd op TicketSwap, waarmee studenten onderling gemakkelijk van plaats kunnen ruilen in een studiegroep. Het zijn slechts enkele voorbeelden hoe technologie de organisatie van het onderwijs kan vergemakkelijken.
In Over de grens, (p. 30) is te lezen hoe andere sectoren hier ook gebruik van maken. Dit informele organiseren gaat niet via bureau roostering of de studentenadministratie; docenten en studenten regelen het zelf. Goed nieuws dus voor de onderwijslogistiek. Wat vroeger het domein was van de roostermaker, wordt weer teruggelegd bij de mensen die erbij betrokken zijn: student en docent. Soms zoeken studenten en docent naar een moment en een ruimte voor nadere uitleg of bespreken van een opdracht. Als een lokaal alleen nog op vrijdagmiddag 16.00 uur beschikbaar is, dan is dat niet de schuld van de roostermaker en is hij of zij ook niet degene die iets anders moet regelen.

Van registreren naar regisseren

Door het omarmen van de technologische mogelijkheden kan onderwijslogistiek een andere rol gaan spelen in de organisatie: van registreren naar regisseren. Onderwijslogistieke professionals houden zich dan niet meer bezig met alle details, maar bewaken de grote lijn, het proces zelf. Dit is nogal een verandering, die vraagt om een andere instelling en andere know-how. Om de regisseursrol te pakken moet je als onderwijslogistieke professionals je collega’s uit het onderwijs echt kunnen meenemen in het procesdenken. Ook hierbij kan technologie helpen. Zelf werk ik met twee gaming apps van Omix, IRooster en IGraduate, die onderwijsteams op een speelse, laagdrempelige manier bewust maken van de manier waarop de inhoud en de organisatie van het onderwijs met elkaar verbonden zijn. Dit leidt tot wederzijds begrip en betere samenwerking tussen mensen uit het onderwijs en uit de ondersteuning. En daar wordt uiteindelijk het onderwijs beter van.

Eindeloze mogelijkheden

De technologie biedt eindeloze mogelijkheden voor het onderwijs én de organisatie daarvan. Van het faciliteren van een beamer in een klaslokaal tot studenten die zelfstandig van werkgroep wisselen met een koppeling naar de docent tot… Welke technologieën er ook ontwikkeld worden, zowel het onderwijs als de onderwijslogistieke professional zullen elkaar moeten blijven vinden om de ontmoeting tussen docent en student van waarde te laten zijn.