Onderwijs­logistieke gevolgen van flexibilisering van het onderwijs

Onderwijs­logistieke gevolgen van flexibilisering van het onderwijs

Wat betekent flexibilisering van het onderwijs eigenlijk? Niet alleen inhoudelijk gezien, maar ook vanuit het perspectief van de bedrijfsvoering van onderwijsinstellingen? We zetten een aantal scenario’s voor u op een rijtje.

Tekst: Rob Maatman en Koen van den Eshof
Fotografie: Lilian van Rooij

‘Flexibiliteit’ staat in het Koenen Woordenboek beschreven als ‘flexibel-zijn’ waaronder men verstaat ‘buigzaam, soepel en plooibaar, maar ook meegaand en gemakkelijk aan te passen aan veranderende omstandigheden’. ‘Flexibilisering van het onderwijs’ is dus het makkelijk laten meebewegen en aanpassen van het onderwijs aan de behoeften van studenten en de maatschappij, een continue ontwikkeling volgend op veranderende omstandigheden en behoeften. Karlijn Ligtenberg, studente filosofie aan de Radboud Universiteit schrijft in het winnende essay in het kader van de HO-tour van minister Bussemakers in 2014/2015 het volgende: “Snelstudeermaatregelen hangen als het zwaard van Damocles boven het hoofd van de student, iets dat kritische reflectie op waar hij mee bezig is niet bevordert. Zolang restricties als een bindend studieadvies blijven bestaan, worden studenten gemotiveerd om zich snel en kritiekloos door hun studie heen te haasten. Ik zou zeggen: aan gedresseerde paardjes bestaat nergens echt behoefte. Laat een student gedurende zijn studie juist plannen wijzigen. Plannen bijwerken, opvijzelen en aanpassen. Precies dat is een blijk van ontwikkeling en zelfinzicht.”

Twee vormen van flexibilisering

Binnen de onderwijssector kent flexibel onderwijs twee vormen. In de eerste vorm van flexibilisering wil men het mogelijk maken om studenten deels zelf het curriculum te laten samenstellen naar eigen interesse, wensen en behoefte, natuurlijk binnen goedgekeurde kaders. Het curriculum zelf samenstellen zou niet alleen moeten kunnen binnen de onderwijsinstelling waar men is ingeschreven, maar binnen alle instellingen voor hoger en academisch onderwijs. Met Kies-op-Maat (een programma waardoor hbo- en wo studenten eenvoudig en kosteloos minoren of vakken kunnen volgen bij andere hogescholen en universiteiten in Nederland) bestaat deze mogelijkheid al. Hierdoor worden studenten in staat gesteld zich nog beter voor te bereiden op hun maatschappelijke carrière. Een tweede vorm van flexibilisering bestaat uit mogelijkheden om delen van een studie plaats- en tijd onafhankelijk te volgen. Hierdoor wordt het voor studenten gemakkelijker hun studie te volgen en af te ronden binnen hun beschikbare tijd. MOOC’s en blended learning zijn bestaande vormen maar er zijn nog legio manieren van flexibel leren en tentamineren te ontdekken en ontwerpen. Welke gevolgen hebben deze twee flexibiliseringsvormen voor de onderwijslogistiek?

Flexibel curriculum

Stelt u het zich eens voor: een student culturele antropologie en ontwikkelingssociologie aan de Universiteit Utrecht wil cursussen statistiek volgen aan de Universiteit Twente in plaats van de standaardvakken bij de UU, de minor “fundraising, grantmaking & sponsoring international” bij Windesheim volgen, en zijn kennis over “agriculture and food in a cultural context” vergroten via cursussen bij de Wageningen Universiteit. Het zal duidelijk zijn dat, indien de student deels het curriculum zelf kan vormgeven, de inhoud van en de behaalde resultaten voor deze onderdelen in hun samenhang moeten worden beoordeeld. Bovendien moet de inhoud en de resultaten worden gematcht met de eindtermen van de specifieke opleiding. Zelfs bij kleine opleidingen zal deze keuzevrijheid voor studenten de werklast voor de examencommissies aanzienlijk verhogen en bovendien veel meer administratieve ondersteuning vragen. Die zal zonder goede regie, samenwerking, systeemintegratie en verrekensystematiek exponentieel toenemen. In ons voorbeeld:
• zal de student moeten worden ingeschreven bij alle genoemde instellingen;
• zullen zijn resultaten in de individuele voortgangssystemen moeten worden vastgelegd;
• zullen individuele certificaten moeten worden verstrekt met niet alleen het behaalde resultaat maar met vermelding van de verworven kennis, vaardigheden en competenties.

De bovenstaande acties en bijbehorende administratieve lasten zouden echter overbodig worden bij invoering van een centraal register in Nederland. In dat centrale register staan te behalen kwalificaties/kennis/ vaardigheden per onderwijseenheid en daarnaast ook de door individuele student behaalde resultaten. Het is een soort BRON-HO+ (een ketenproces waarbij de inschrijvingen en diploma’s van studenten in het Hoger Onderwijs worden vastgelegd in registers bij DUO).

De financiële kant

Dan is er ook nog de kwestie van de bekostiging en verdeling van de ontvangen gelden. Als het huidige systeem gehandhaafd blijft en een instelling alleen bekostigd wordt als een student daar staat ingeschreven en/of het diploma behaalt, is het maar de vraag of instellingen bereid zijn grote aantallen studenten van andere instellingen op te nemen. Immers, onderwijs voor meer studenten kost de instelling meer. Een instelling zal proberen ervoor te zorgen dat het aantal ‘uitgaande’ studenten, die elders één of meerdere vakken volgen, minimaal net zo groot is als het aantal ‘inkomende studenten, om zo een overschot van deze laatste te voorkomen. Daarvoor zou ook weer een specifieke administratie moeten worden opgetuigd. Kortom, de financiële kant van flexibilisering van onderwijs, over de grenzen van onderwijsinstellingen heen, is nog niet in kannen en kruiken.

Maar wat als de bekostigingssystematiek veranderd zou kunnen worden. Dit zou bijvoorbeeld als volgt kunnen: de overheid betaalt niet aan de instelling maar “schenkt” de nominale waarde van jaarlijkse studiekosten aan de student, bijvoorbeeld in de vorm van EC-vouchers. De student koopt op zijn beurt het onderwijs van zijn keuze in bij de instelling van zijn keuze. Een vergelijkbare bekostigingssystematiek is voorgesteld door de commissie Rinnooy Kan voor deeltijdstudenten, (zie ook het interview op pag. 38). Bovendien is het de moeite waard om bij onze zuiderburen in de leer te gaan want in België werken ze al met flexibel onderwijs met verschillende contractvormen en een bekostiging op basis van individuele EC’s.

Flexibel qua plaats en tijd

Het onderwijs kan ook flexibel worden aangeboden aan de studenten wat betreft plaats en tijd. Deze situatie zal wel de huidige organisatie en onderwijslogistiek op zijn kop zetten. Zo zal er mogelijk steeds minder behoefte zijn aan huisvesting voor het onderwijs en komt er minder nadruk te liggen op het roosterproces.

Bij plaatsonafhankelijk onderwijs wordt het mogelijk voor studenten om onderwijs te volgen op één of meerdere instellingen in Nederland of zelfs in het buitenland. Dit lijkt veelal op het maken van je eigen, flexibele studieprogramma. Een nog verdergaande ontwikkeling kan zijn dat het onderwijs plaats- én tijdonafhankelijk kan worden gevolgd. De student is een ‘digital nomad’ ergens op Bali. In dit scenario is er nauwelijks persoonlijk contact tussen student en docent op de traditionele manier. Misschien is er alleen nog contact bij het stellen van noodzakelijke vragen. De meeste kennis zal worden opgedaan via online communities, online colleges, diverse fora en virtuele bijeenkomsten met docenten of andere studenten.

Als het onderwijs meer via online communities en virtuele bijeenkomsten zal worden aangeboden, wordt de bruikbaarheid van de vaste activa van onderwijsinstellingen, de onderwijscentra, verminderd. Ook zullen er minder docenten nodig zijn omdat colleges worden opgenomen en er dus meer tijd overblijft voor het begeleiden van (meer) studenten. Het valt niet uit te sluiten dat docenten zich als zzp’ers zullen gaan verhuren aan onderwijsinstellingen. In een dergelijk toekomstscenario van verregaande flexibilisering zullen andere behoeftes ontstaan aan gebouwen voor het hoger onderwijs. Zo zullen er enkele studio’s nodig zijn voor het opnemen van (hoor-) colleges of webinars, een gering aantal (spreek)ruimtes waar desgewenst studenten andere studenten of docenten kunnen treffen en enkele kantoren voor het onderwijslogistieke personeel. Met de intreding van online onderwijs zal een grote ergernis van studenten, het rooster, van minder belang worden. Er zou een verschuiving kunnen plaatsvinden van roostering naar planning. Een persoonlijke planning van een student zal een leidraad worden voor de vorderingen van de student met deadlines voor het vervullen van bepaalde modules of onderdelen.

Dit is een klein voorschot op de verregaande aanpassingen die nodig zouden zijn om het onderwijs volledig te flexibiliseren, het huidige systeem zou helemaal op z’n kop moeten. Niet alleen de manier van onderwijs verzorgen wordt anders, maar ook de toetsing zal volledig digitaal plaatsvinden of worden geïntegreerd binnen diverse projecten. Voor deze manier van toetsen moeten nieuwe procedures worden bedacht om fraude te voorkomen. Voorbeelden zijn er al te noemen vanuit Amerika. Zo verdienen organisaties als ProctorU en Pearson VUE geld aan het verifiëren dat de juiste student een bepaalde online toets maakt of paper inlevert. Dit doen ze door controle via de webcam of middels ‘keystroke dynamics’, oftewel de wetenschap van de manier van typen van een bepaalde persoon.

Aangezien studenten op elk willekeurig moment van de dag onderwijs kunnen volgen, opdrachten kunnen inleveren of toetsen kunnen maken zal er een (online) helpdesk moeten worden ingericht die 24/7 klaar staat in het geval zich ICT problemen voordoen. De verschillende digitale leeromgevingen moeten zoveel mogelijk worden geïntegreerd, toereikende functionaliteiten bieden en ondersteund worden door een betrouwbaar netwerk. Daardoor zal de student op elk moment zijn eigen up-to-date studievoortgang in kunnen zien en een realistische studieplanning kunnen opstellen en contact op kunnen nemen met studiebegeleiding op het moment dat dat nodig blijkt.

“Flexibilisering lijkt een geweldig idee”

Tegengeluid

Het scenario dat we hierboven beschreven gaat erg ver en het is de vraag hoever de flexibilisering werkelijk zal gaan. Is het een hype of een trend in de onderwijssector? Het idee bestaat dat de studenten zitten te wachten op meer keuzeruimte in hun curriculum, op mogelijkheden om aan verschillende onderwijsinstellingen onderwijs te volgen en dat dan ook nog op tijden die voor hen prettig zijn. De vraag of studenten én de maatschappij hier daadwerkelijk op zitten te wachten, lijkt zowel legitiem als onbeantwoord. Voor elke onderwijsinstelling is het interessant om bijvoorbeeld te onderzoeken hoeveel studenten daadwerkelijk een minor aan een andere onderwijsinstelling volgen, naar het buitenland afreizen om daar onderwijs te volgen of naar de examencommissie stappen om wensen bespreekbaar te maken om hun eigen curriculum te personaliseren. En los van het aantal studenten dat het daadwerkelijk doet, Misschien beter: hoeveel meer studenten zouden gebruik maken van deze mogelijkheden als het ze gemakkelijker werd gemaakt om dit te doen? Misschien komt daar wel uit naar voren dat slechts een klein percentage studenten zit te wachten op nóg meer keuzes, omdat keuzes maken al zo moeilijk is. Een curriculum wordt door een onderwijsinstelling met een bepaald idee opgesteld en goedgekeurd om zo professionals voor de maatschappij af te leveren. In het evaluatierapport (maart 2013) van de Afdeling Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs van het Vlaamse Departement van Onderwijs en Vorming, getiteld “Evaluatie van de implementatielasten naar aanleiding van de flexibilisering van het hoger onderwijs” blijkt dat het percentage studenten dat een min of meer standaard programma volgt constant rond de 95% ligt. Nou leidt een ‘flexibele programma’ in België niet tot een diploma wat één van de redenen zou kunnen zijn voor de relatieve impopulariteit. Maar feit blijft dat maar 5% van de studentenpopulatie voor een ‘ander dan regulier programma kiest’. In dit evaluatieverslag wordt tevens geschreven over de toegenomen druk voor administraties en examencommissies en de inrichting van een centraal registratiesysteem.

Zoals Ad de Graaf van de Vereniging Hogescholen ook beschrijft in zijn essay ‘Wegwijzers naar #hbo2025’ (2015), “moet het niet de bedoeling zijn dat studenten opdrachtgevers zijn met ongelimiteerde vrijheid bij de samenstelling van het eigen programma. Hogescholen moeten zelf de verantwoordelijkheid nemen om een pedagogisch verantwoord programma beschikbaar te stellen”. Aanvullend is het interessant om te zien dat Europese werkgevers de match tussen de studierichting en een baan (25,8%) van groter belang achten voor de keuze van een kandidaat dan de prestige/ reputatie van de universiteit (6,3%). Is het voor werkgevers van belang om studenten aan te nemen die hun cursussen aan de beste onderwijsinstellingen hebben gevolgd? En in hoeverre kunnen werkgevers nog inschatten wat de waarde is van een studie als dat een ratjetoe van bij elkaar geraapte vakken is, in plaats van een studieprogramma waar ze zich iets bij kunnen voorstellen, hoewel er mogelijk nog een vak mist.

Flexibilisering lijkt een geweldig idee. Maar als Nederlandse studenten, wat betreft studiewensen op Vlaamse studenten lijken, dan zal er misschien maar weinig animo zijn voor flexibilisering. Onderwijsinstellingen moeten dus niet direct mee rennen met de flexibiliseringhype en zich in plaats daarvan afvragen wat hun huidige en gewenste toekomstige studentenpopulatie verwacht van het onderwijs. Denk na over hoe het huidige of eventueel radicaal flexibele onderwijs bijdraagt aan de maatschappij en maak de afweging of alle belanghebbenden daarop zitten wachten. Pas nadat deze vragen beantwoord zijn kan de onderwijsinstelling zich positioneren op het gebied van flexibel onderwijs. Bij het nadenken over de positionering van de onderwijsinstelling moet de bedrijfsvoering worden meegenomen, niet alleen bij de implementatie. Door vanuit verschillende perspectieven, maar in ieder geval ook vanuit onderwijslogistiek perspectief, naar flexibilisering te kijken kan een weloverwogen totaalconcept worden bedacht.

Bronnen:

  • Ligtenberg, K. (2015) Aan gedresseerde paardjes geen behoefte, Essaywedstrijd: Beschrijf je ideale hoger onderwijs.
  • De Graaf, A. (2015). Wegwijzers naar hbo2025, Vereniging Hogescholen.
  • Martin Hunburg, Rolf van der Velden, Annelore Verhagen. ROA, Oktober 2013 in opdracht van European Commission. The employability of Higher Education Graduates, The Employers’ Perspective.
  • Evaluatie van de implementatielasten naar aanleiding van de flexibilisering van het hoger onderwijs, Maart 2013 in opdracht van Departement Onderwijs en Vorming, Afdeling Hoger Onderwijs en Volwassenonderwijs.